GBA-Autorisatie samenwerkingsverbanden toch mogelijk

Belastingsamenwerking tussen gemeenten! Het begint als een prachtig sprookje waarvoor menig ambtenaar op het puntje van zijn stoel gaat zitten. Belangrijke toverwoorden zijn efficiëncy, winst en kwaliteitsverbetering. Maar eenmaal klaar voor de start, blijken zich nogal eens problemen voor te doen met het verkrijgen van GBA-autorisatie. Desondanks lijkt een happy end in zicht!

 

InAxis
InAxis, Commissie Innovatie Openbaar Bestuur, steunt verschillende initiatieven op het gebied van shared services. Enkele voorbeelden zijn op het gebied van belastingsamenwerking zijn de samenwerking van waterschap Rivierenland met enkele gemeenten, en de samenwerking tussen de Blaricum, Eemnes en Laren, waarvan ook de belastinginning deel uit maakt. Eerder steunde InAxis al het SVHW in de Hoeksche Waard en in juni 2007 organiseerde InAxis een expertmeeting voor beginnende samenwerkingsverbanden op het gebied van belastingen. Vanuit deze experimenten werden de problemen met de GBA-autorisatie aangekaart.

 

GBA-autorisatie
Keer op keer lopen gemeenten tegen het probleem aan met het verkrijgen van een GBA-autorisatie voor het belastingsamenwerkingsverband. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen samenwerkingsverbanden die al meer dan 15 jaar bestaan (het SVHW), of pas opgerichte samenwerkingsverbanden als BEL. Voor de nieuwe belastingsamenwerking in Rivierenland is bureau Berenschot in de materie gedoken om helderheid te scheppen op dit punt en die helderheid is er gekomen.

 

Verkeerde interpretatie
De problemen ontstaan doordat volgens Berenschot niet het onderscheid werd gemaakt tussen verordening en inning. De verordenende bevoegdheid kunnen gemeenten namelijk niet overdragen. De uitvoering daarvan (heffing- en inning) wel. Dus als men alleen de uitvoering?onderbrengt bij het samenwerkingsverband zou dit toegestaan moeten zijn.?Artikel 30 lid 1 van de?Wet gemeenschappelijke regelingen, behelst dus geen verbod op overdracht van de uitvoering van inning van belastingen. Ten tweede opent de combinatie van art. 30 lid 1, en art. 232 lid 4 Gemeentewet, juist de mogelijkheid voor samenwerkingsverbanden op het gebied van belastinginning. De brochure “Gemeentelijke Belastingen” van BZK, gedateerd uit 2002, onderschrijft deze redenering. Hieronder volgt het citaat:

 

“(…) De bovengenoemde ambtenaren hebben dus weliswaar taken die de wet hun rechtstreeks toebedeelt, maar in de gemeentelijke hiërarchie staan ze onder het college van burgemeester en wethouders. Dat kan hun daarom instructies geven over hoe zij hun taak moeten uitoefenen. Als gemeenten de heffingsbevoegdheid voor bepaalde heffingen hebben overgedragen aan een gemeenschappelijke regeling, dan zullen de ambtenaren daarvan ook de feitelijke heffing en invordering doen.

 

Met ingang van 1 januari 1998 is daar nog een mogelijkheid bij gekomen. Gemeenten kunnen voortaan een gezamenlijke belastingdienst opzetten. Ze konden altijd al de bevoegdheid tot het heffen van sommige belastingen, overdragen aan een gemeenschappelijke regeling. Hetzelfde is nu ook mogelijk voor belastingen die de gemeenten zelf blijven heffen. Voor de uitvoering, dus de feitelijke heffing en invordering, worden dan geen eigen ambtenaren aangewezen, maar ambtenaren van die gemeenschappelijke regeling (of van een van de deelnemers). In dat geval is het ook het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling dat de ambtenaren instructies kan geven over de manier waarop zij hun taak moeten uitoefenen. (Ga voor meer details naar brochure BZK).”

 

Binnenkort publiceren de betrokken medewerkers van Berenschot een artikel hierover in ‘Burgerzaken en Recht’. Hiermee lijkt nu helderheid geschapen, op dit punt waar veel samenwerkingsverbanden op het gebied van belastingen tegenaan lopen.